Aanpassen aan de omgeving: hoe doen dieren dat?

Maartje Staal, 9 januari 2019

Als er een soort is die in de stad thuishoort is het wel de stadsduif (Columba livia). Overal waggelen ze rond, broodkruimels en verdwaalde frietjes van de grond pikkend. De duif lijkt het er prima naar zijn zin te hebben, ook al komt hij oorspronkelijk voor op rotsen aan de Middellandse Zee. De ene diersoort doet het beter in de stad dan de andere. Hoe komt dat eigenlijk? Hoe passen dieren zich aan de stad aan?

Onderdeel van:

Ingrid Taylar | Licentie: CC BY 2.0
Een rotsduif (Columba livia).

Dieren hebben al gunstige eigenschappen

Sommige soorten passen beter in steden dan andere. Ze vinden er voedsel en geschikte plekken om te broeden. Stadsduiven ook. De gewone stadsduif is dezelfde soort als de wilde rotsduif. Deze soort leeft op rotsen en kliffen aan de Middellandse Zee. Wilde rotsduiven zijn door mensen tam gemaakt en daarna in de stad terechtgekomen. De stad lijkt eigenlijk ook een beetje op een rots. Alle gebouwen, wegen en bruggen zijn van steen gemaakt. De rotsduif broedt in spleten en holten van rotsen. De stadsduif broedt op richels en in spleten van gebouwen en bruggen. Het broedgedrag van duiven paste dus al goed bij de stad. Daarnaast eten duiven eigenlijk alles. Rotsduiven eten vooral zaden, bessen en insecten. Maar stadsduiven eten ook broodkruimels en frietjes. Andere diersoorten in de stad eten ook bijna alles. Bijvoorbeeld ratten, muizen en meeuwen.

Welke dieren zouden nog meer goed in de stad kunnen leven?

Dieren wennen aan de stad

Sommige soorten passen makkelijk hun gedrag aan de stad aan. Ze wennen snel aan kenmerken van de stad, zoals lawaai, mensen en auto’s. De ene soort went sneller dan de andere. Een raaf zul je bijvoorbeeld niet snel in de stad zien. Raven zijn schuwe vogels, die niet snel wennen aan nieuwe dingen. Duiven of kauwtjes zijn meer durfals en wennen snel. Ze zijn minder schuw dan hun soortgenoten in het bos. Dat is handig, want dan kunnen ze dichterbij komen om voedsel te zoeken.

Welk gedrag is nog meer handig in de stad, maar niet er buiten?

Eigenschappen van een soort raken aangepast

Soorten passen steeds beter in de stad. Hun in DNA opgeslagen eigenschappen veranderen. Eigenschappen die voordelig zijn in de stad komen steeds vaker voor. De stadsduif heeft in de stad meer kleurstof in de veren dan buiten de stad. Die kleurstof heet melanine. Het kleurt de veren van de duif, maar ook jouw huid, haar en ogen. Melanine kleeft aan giftige stoffen zoals lood en kwik. Deze stoffen komen in de natuur niet veel voor, maar in de stad wel. Duiven en andere dieren krijgen ze binnen door bijvoorbeeld te drinken uit rivieren, waardoor ze ziek worden. Duiven met meer melanine in hun veren worden minder snel ziek van giftige stoffen.

Getty images
Een variatie aan duiven in Amsterdam.
Tim Strater | Licentie: CC BY-SA 2.0
Een merel (Turdus merula).

Nieuwe soorten

Kunnen soorten zich zo veel aanpassen dat het nieuwe soorten worden? In de stad is zoiets nog niet aangetoond, want zo’n proces duurt heel lang. Evolutiebioloog Menno Schilthuizen vertelt: “Grote steden bestaan nog niet zo lang. Soorten zijn wel aan het veranderen, maar het is nog te vroeg om het nieuwe soorten te noemen. De merel (Turdus merula) is wel aardig op weg om een nieuwe soort te worden. In de stad zingt hij hoger en vroeger op de dag. Hij heeft een kortere snavel en een korter spijsverteringsstelsel. Een nieuwe soort ontstaat pas als veel eigenschappen veranderen. Eén eigenschap is niet genoeg.” Als twee groepen dieren van dezelfde soort zo veranderen dat ze onderling geen jongen meer krijgen die vruchtbaar zijn, dan zijn het twee verschillende soorten geworden.