Een heel bijzondere kies

Matthijs Graner, 10 oktober 2018

Het is 1891, op Java in Indonesië vindt de Nederlander Eugene Dubois een kies en een schedeldak. Een jaar later een dijbeen. Waren de fossielen van een aap of mens? "Van een mens", beweerde Dubois. "Van een orang oetan", stelden de meeste geleerden. Dubois kon toen niet bewijzen dat het echt om een mensachtige ging. Maar ruim een eeuw later vonden wetenschappers het bewijs.

Waarom een mensachtige?

Dubois gokte niet zomaar wat, toen hij bepaalde van welk dier de resten afkomstig waren. Hij onderzocht de fossielen heel goed en vergeleek ze  met botten van apen en mensen. Eén van de fossielen, een schedelkapje leek vooral aapachtige kenmerken te hebben. Er was bijvoorbeeld geen voorhoofd zichtbaar. Een ander fossiel, een dijbeen, was zo recht dat het wel bijna van een mens moest zijn. Uiteindelijk stelde hij dat het om een overgangsvorm van aap naar mens ging, onze voorouder: Homo erectus. Heel sterk was het bewijs nog niet. Wetenschappers van Naturalis besloten in 2009 de kies te onderzoeken.

Licentie: CC BY-NC-SA 4.0
Naturalis oerparade

Een kies vol geheimen

Fossiele kiezen bevatten veel informatie als ze in goede staat gevonden worden. Door het kauwvlak te bekijken, kan men beredeneren wat de eigenaar van de kies mogelijk gegeten heeft. Het kauwvlak was knobbelig. Knobbelige kiezen zijn niet van een planteneter (bijvoorbeeld een rund) of een vleeseter (bijvoorbeeld een krokodil). De gevonden knobbelige kies was duidelijk van een alleseter afkomstig. Zowel mensen als veel apensoorten hebben knobbelkiezen en zijn beiden alleseters. De grootte van de kies verschilde niet veel van die van een mensenkies, maar ook niet van die van apen. Er was dus veel onduidelijkheid. De meeste wetenschappers waren het niet met Dubois eens. Ze dachten dat de kies van een orang oetan was. Totdat er meer onderzoek naar gedaan werd.

Licentie: Alle rechten voorbehouden
H. erectus kies

Duizenden kiezen

John de Vos, voormalig paleontoloog bij Naturalis, vond het tijd om duidelijkheid te krijgen. Hij had al vaak bij zijn collega’s aangedrongen: “Ik heb hier drieduizend orang oetan kiezen liggen. Ik weet precies hoe ze eruit zien. Deze kies verschilt duidelijk van een orang oetan kies. Het gaat hier om een kies van een mensachtige”. John moest dit natuurlijk wel bewijzen. De dikte van het buitenste laagje van de kies (het emaille) verschilt tussen mens en orang oetan. Samen met zijn collega Tanya Smith wilde hij de kies scannen om naar de dikte van het emaille te kijken. Met de kies op zak vertrokken John en Tanja naar Leipzig, in Duitsland, waar met een krachtige scanner de kies werd bekeken.

Grof geschut

Helaas bleek de kies te veel versteend om een goed beeld van het emaille te krijgen. Er was dus nieuw onderzoek met grof geschut nodig. Ze vertrokken naar Frankrijk, naar de zogenaamde deeltjesversneller in Grenoble. Hier werd de kies met heel veel kleine deeltjes  beschoten en de weerkaatste deeltjes werden opgevangen en gemeten. Wat bleek? Het emaille was dikker dan dat van orang oetan kiezen en vergelijkbaar met andere fossiele kiezen van Homo erectus die gevonden zijn. Deze kies moest dus van een Homo erectus zijn. Vanaf dat moment was het duidelijk dat Dubois al die tijd gelijk had. “De wetenschappelijke discussie was ook meteen afgelopen”, vertelt John.