Eulàlia Gassó Miracle, collectiebeheerder van de dagvlinders

Sanne van Gammeren, 15 januari 2018

Naturalis heeft een collectie van wel 42 miljoen objecten. Deze collectie bestaat voor een groot deel uit opgezette insecten. Wie zorgt er voor die beestjes? Wat komt daar bij kijken? Eulàlia vertelt over haar baan als collectiebeheerder.

Wat doe jij bij Naturalis?

“Ik ben wetenschappelijk collectiebeheerder en onderzoeker van de dagvlinders. Die collectie bevat bijna één miljoen dagvlinders, opgeslagen in wel 19 duizend laden. Als onderzoekers vragen hebben of vlinders nodig hebben, zorg ik dat ze die krijgen. Ik breng alles op orde zodat vlinders vindbaar zijn. Bij binnenkomst geef ik alle vlinders een etiket en een juiste plek. Door mijn goede zorgen blijft de collectie nog lang bewaard.”

Hoe zorg je ervoor dat vlinders zo lang bewaard blijven?

“Goed gedroogd gaan ze lang mee, dus geen schimmels, vochtigheid, daglicht (want dan verkleuren ze) en vrij van vraat. Er zijn genoeg insecten die dode en opgezette beesten lusten, zoals museumkevers en pelskevers  Als dit soort beestjes in de collectie komen vreten ze alles op met etiket en al. Niemand weet hoe lang je insecten kunt bewaren. De oudste collectie is van de 17e eeuw. Ik hoop dat er over drie eeuwen nog iemand zegt: wow, deze exemplaren blijven zes eeuwen bewaard!”

Heeft iedere vlinder een verhaal?

“Vaak wel. De soort is interessant om zijn diversiteit en verspreiding of aan een vlinder hangt een opmerkelijk verhaal, bijvoorbeeld van een wetenschapper op expeditie. Historische exemplaren boeien mij; heel oude beestjes uit de 18e eeuw. Die beestjes geven een beeld hoe wetenschappers toen verzamelden, hoe zij gegevens noteerden en of ze beestjes tekenden. Sommige vlinders zijn wel 250 jaar oud.”

(c) Naturalis | Licentie: CC BY-NC-SA 4.0
Vlinder met een modern etiket

Welk onderzoek doe jij?

“Mijn onderzoek gaat over wetenschapsgeschiedenis. Ik kijk bijvoorbeeld naar de collectie van Temminck. Hij was de eerste directeur van Naturalis en werkte vooral met vogels en zoogdieren. Ik kijk nu naar de 19e eeuw en hoe Temminck toen tegen de systematiek aankeek binnen de natuurlijke historie. Misschien beschreef Temminck dieren op een andere manier dan tegenwoordig.”

Wanneer wist je dat je collectiebeheerder wilde worden?

“Als Spaanse ontdekte ik het natuurhistorisch museum in Barcelona. Dat was toen nog ouderwets: veel vitrines en kabinetten van donker hout en uitgetikte etiketten. Ik dwaalde daar uren rond. Ik vond die lange rijen met beesten die stuk voor stuk een verhaal en een geschiedenis hebben fantastisch. Toen ik voor het eerst in de collectietoren van Naturalis mocht kijken, zag ik de rijen kabinetten en ik dacht: ‘wauw!’. We hebben nu nieuwe kasten die beter werken dan de oude kabinetten, maar het liefst ga ik terug naar het oude gebouw van Naturalis met de oude houten kabinetten.”

Wat hoop je ooit nog te ontdekken?

“Ik wil de kennis die mijn voorgangers en ik nog in ons hoofd hebben, publiceren en veiligstellen voor later. Het gebeurt zo vaak dat een collectiebeheerder met pensioen gaat, terwijl hij zijn kennis over collectiebeheer niet op papier heeft gezet. Het is zo zonde. Ik zou ook heel graag een catalogus willen schrijven van de historische exemplaren. Er is bijvoorbeeld nog geen type-catalogi. Als iemand een type-exemplaar (zie artikel darwinvinken) nodig heeft, moet ik eerst twee weken zoeken voor een antwoord."